WO I: Verzet

Read very carefully, I shall write this only once!

De Eerste Wereldoorlog begon op 28 juli 1914 en eindigde op 11 november 1918. Miljoenen soldaten en burgers stierven als gevolg van de oorlog. Dit hoge aantal slachtoffers was een gevolg van de technologische vooruitgang en de tactische patstelling veroorzaakt door de loopgravenoorlog. Het was een van de dodelijkste conflicten in de geschiedenis.

Toen WO I uitbrak in 1914 was Fons 17 jaar. Hij was geboren en getogen in de grensstreek met Nederland en kende alle paadjes als zijn broekszak. België werd bezet door de Duitsers tijdens de oorlog, maar Nederland bleef neutraal.

Spion en smokkelaar

Het gezin van Peer Soeffers en Elizabeth Bleys werd geprezen in Mol om haar engagement & heldhaftigheid. De liefde voor het vaderland werd de kinderen met de paplepel ingegeven.

1 van die kinderen was mijn overgrootvader Fons, maar hij was niet de enige spion/smokkelaar in het gezin Soeffers. Vele familieleden (waaronder Jan Baptist, Virginie,…) waren lid van The Cereal Company, een verzetsgroep. De smokkelaars werden passeurs genoemd.

De Cereal Company was ontstaan in Neerpelt en was uitgebouwd door Jefke Peeters. In 1916 telde de groep 60 agenten die in Limburg en Brabant actief waren.

In het begin was de waakzaamheid van de Duitsers nog niet bijzonder groot. Fons kreeg het gemakkelijk klaargespeeld om wekelijks een paar keer naar Nederland te trekken om bussen petroleum te halen. Daarna bracht hij ook brieven over van en voor de soldaten aan het front.

Uiteindelijk smokkelde hij mensen over de grens: vrouwen, kinderen en vrijwilligers die via Nederland het Belgische leger achter de frontlinie wilden vervoegen… Vaak zonder er 1 cent aan te verdienen. Hij ontsnapte zonder moeite aan het oog van de Duitsers. Fons werkte ook rechtstreeks voor de consul.

In 1915 verscherpte de grenscontrole. Ze moesten dus nieuwe manieren vinden om de grens over te raken. De spionnen vervalsten identiteitsbewijzen en konden zo wel 10 verschillende identiteiten aannemen.

Betrapt

De zus van Fons, Theresia, is betrapt op het smokkelen van petroleum.

Ook Fons kwam vele malen oog in oog te staan met de Duitsers.

In het begin staken de smokkelaars het kanaal over om met een veer tot in Holland te geraken. Op een dag zwalpten hij en zijn broer Jan Baptist in een zelfgemaakt bootje op het water. Toen ze nog maar 2 meter van de dijk Sas 4 waren, kwamen er ineens 2 Duitsers tevoorschijn. Die nacht brachten ze door in het wachthuisje en de volgende dag werden ze naar Herentals geleid, vandaar naar Turnhout waar de broers 3 maanden in de gevangenis hebben gezeten. Het was al de 2de maal dat ze gesnapt werden, maar ze vertikten het iemand of iets te verraden en na 3 maanden liet een dominee het duo naar huis wandelen.

Dodendraad

In 1915 plaatsten de Duitsers een elektrische versperring tussen het bezette België en het neutrale Nederland.

Deze draad werd de dodendraad genoemd en liep langs Postel, een deelgemeente van Mol. Soms mislukte er een vluchtpoging en bleef iemand dood aan de draad hangen. Mensen hadden toen ook minder of geen benul wat electriciteit juist was. De meeste mensen gebruikten nog kaarsen of petroleumlampen.

Op bepaalde plaatsen kon men door de versperring omdat men poorten had gemaakt met vaste schildwachten. Deze schildwachten werden Landstormers genoemd en waren vaak wat ouder dan hun medesoldaten aan het front. Soms waren ze laks omdat ze de lokale bevolking kenden na verloop van tijd. Ze waren ook niet vies van omkoping omdat ze, net zoals de Belgische bevolking, ook moesten rantsoeneren.

Ondanks deze dodendraad met een spanning van 2000 volt, bleven Fons en zijn broer Jan niet bij de pakken zitten. De broers maakten een houten raam dat ze tussen de driedubbele versperring plaatsten. 

Eind 1916 kwam Fons in Nederland in contact met Paul Verhoeven uit Neerpelt. De 2 mannen kwamen ongeveer 2 x  per week terug naar België om vluchtelingen en inlichtingen te komen halen. Ze wilden niet meer prutsen met wollen dekens, houten kaders en gummiplaten om door de draad geraken. Ze konden op deze manier niet genoeg vluchtelingen de grens over krijgen.

En zo werden alle registers opengetrokken. Beide mannen hadden een grote knijptang op de kop kunnen tikken waarvan de handvaten met rubber waren omwonden om te isoleren. Met die knijptang en revolvers trokken Paul en Fons naar de grens. Ze wachtten tot de Duitse schildwachten uit het zicht waren. Dan was het menens. Wanneer ze de kans hadden, vlogen ze naar de draad, knipten ze tussen 2 palen een flinke opening en lieten soms 30 tot 40 vluchtelingen tegelijk door. Als de Duitsers hen doorhadden, onthaalden ze hen op een hagelbui van schoten.

Verraders

Op een zekere dag wisten de Duitsers het spionagenetwerk in Mol te ontmaskeren. Enkele mispunten hadden zich 1000 Mark laten betalen. De kruik gaat zolang te water, tot zij breekt! Fons zat samen met Paul in Nederland toen het huis Soeffers ’s morgens door Duitse soldaten en geheime agenten werd overvallen.

Broer Jan was thuis toen ze binnen vielen. Toen Jan dat Feldgrau-volkje zag komen, wilde hij het hazenpad kiezen. Feldgrau duidt op de kleur van Duitse uniformen aan het begin van de 20ste eeuw: grijs-groen. Hij slaagde erin te ontsnappen uit de woning en 200 meter te vluchten.

Toen hij over een gracht wou springen, schoot een Duitser hem met dumdum kogels in de rug. Een andere Pruis kwam toegelopen en bewerkte het arme slachtoffer met de kolf van zijn geweer.

Als een dier werd Soeffers op een ladder gegooid en weggebracht. Buurvrouw Daems wou een kussen onder zijn hoofd leggen, maar werd bars weggestuurd. De pastoor, die in allerijl zijn mis verliet om de stervende bij te staan, mocht Soeffers’ biecht slechts aanhoren in aanwezigheid van een Duitse officier.

Dit tragische nieuws vernam Fons in Eindhoven. Hij kookte van woede. Toen zijn andere broer Frans het treurige nieuws kwam bevestigen, was Fons niet meer te houden. Bovendien zat zijn zus Louise op hulp te wachten.

Zus Clementine had een schuiloord in België gevonden. Vader Peer zat in de gevangenis in Puurs wegens spionage tegen de Duitsers. Fons moest dus zelf het heft in handen nemen.

Karma’s a bitch

De dag van Jans begrafenis, trokken Fons en Paul langs de Dommel over de grens. Beschermd door de nachtelijke duisternis bereikten zij Mol. Hier deed Fons een gebedje aan het graf van zijn broer.

De 2 kompanen gingen zus Louise afhalen bij buurman Vanzon waar zij was ondergedoken. Daarna trokken het trio de bossen in. Ze moesten in het Kattenbos (Lommel)  nog enkele vluchtelingen ophalen.

Met een kussensloop vol kleren, proviand over de schouder en een geladen revolver op zak, vertrokken Fons, zijn zus Louise en vriend Paul. Ze wandelden door de bossen van Mol naar Kattenbos. Van daaruit zouden ze verder stappen naar Neerpelt waar zij de volgende dag door de draad konden kruipen.

Het was ochtend ondertussen, een windstille en mooie najaarsdag. Paul vond in het Kattenbos een gezellig plekje op een zandberg omringd door een sparrenbos. Kom Fok, zei hij, laten we hier neerzitten en schaften. Van hieruit kunnen we het terrein overschouwen. Ze lieten zich tegen de helling vallen, knoopten hun kussensloop los en haalden het brood boven. Fons wilde juist met zijn mes enkele sneden afsnijden en toen….

Was ist das?,  klonk het plots. Een Pruis stond achter hen met een jachtgeweer. Het was de Duitse stationsoverste van Lommel. Ze antwoordden dat ze wat wilden eten.Ach so! Essen! Gehe mit nach den Bahnhof!

Ondanks het strenge bevel en de dreigende karabijn, bleven Fons en Paul zitten. Ze bekeken de Pruis. Deze werd ongeduldig en sprong op Fons om zijn mes af te pakken. Hierdoor keerde hij de rug naar Paul die als de bliksem zijn revolver trok en… PANG PANG! De Pruis tuimelde achterover en stierf.

Louise was gevlucht naar een naburig huis. Het duo ging haar halen en besloot direct naar de grens te gaan. Zij liepen een 400tal meter door de Holvense Beek. In de namiddag bereikten ze een heuvel niet ver van de grens waar ze zouden uitblazen tot de volgende nacht.

Paul dreef de stoutmoedigheid zover dat hij met de karabijn van de Pruis een haas schoot, die hij eerst nog terug naar huis bracht voor het gezelschap verder naar Holland trok. Dit was 1 van de laatste activiteiten van de Cereal Company.

Enkele dagen later werd de dode stationsoverste gevonden in het Kattenbos. De Kommandateur loofde een beloning uit van 10.000 mark aan diegene die de daders kon aanduiden. Ze hebben nooit het genoegen gehad deze som uit te keren.

Kroon op het werk

Jan Baptist Soeffers wordt vermeld op de website van het Flanders Field Museum omdat hij een oorlogsslachtoffer is. Fons, Virginie, François en Jan Baptist Soeffers kregen een medaille na de oorlog voor hun werk als spion tijdens WO I.

Vele jaren later

In de jaren ’60 was Fons grafdelver. Hij heeft toen het lichaam van zijn broer, oorlogsslachtoffer Jan Baptist, opgegraven om plaats te maken voor nieuwe graven.

Zo moest hij ook zijn broer ontgraven. Die had men tijdens de eerste wereldoorlog achter in de tuin op het Sluis doodgeschoten. Ook vader en moeder heeft hij moeten opdelven. Maar dat was erg, zo verzekerde hij. Het is enkele jaren geleden en ik zweette water en bloed, toen ik de beenderen bovenhaalde en ze netjes bij elkaar legde.

Maar ja, meneer, dat is nog het schoonste, rijk of arm, ze zijn allemaal gelijk voor de dood.

Fons Soeffers, krantenartikel, 03-12-1974

Een mooie zin om dit bericht af te sluiten! Je kan het volledige relaas lezen in het blogbericht over Fons Soeffers.

Bron

  • Boek over de Dodendraad, schrijver en titel onbekend. Ik heb slechts enkele kopieën.
  • Krantenartikel 03/12/1974, krant en schrijver onbekend. Je kan het krantenartikel uitgetypt terugvinden in het blogbericht over Fons.

Bericht aan de lezer

Al dat oorlogsgeweld, pff. Aangezien ik zeer begaan ben met jullie mentale toestand:

Ontspan even in de tekentuin!